|
Voorpublicatie
Langzame Wals
Buiten adem stormde hij de trappen van het Rotterdamse
station Beurs op, achter zijn oudste zoon Adolph
aan. De trein naar Brussel stond dampend en met
de deuren al dicht onder de overkapping. Adolph
maalde wild met zijn armen en riep naar de stationschef:
‘Wacht!’
De jachtige vrees van die meidag, tweeënhalve maand
geleden, grijpt Lodewijk weer bij de keel. Hij had
te lang getreuzeld bij het verlaten van zijn huis
aan het Willemsplein. Een huurrijtuig stond voor
de stoep en Adolph was al ingestapt. Ondanks zijn
zoons protesten was hij toch weer zijn woning binnengegaan
om in zijn werkkamer nog vlug een éénregelige ontslagbrief
te schrijven aan de commissarissen van de Rotterdamsche
Handelsvereeniging. Een onzinnig verlangen om op
de valreep zijn zaken juridisch correct af te handelen.
Het had hen later, onderweg naar het station Beurs,
in tijdnood gebracht. Ze kwamen vast te zitten in
een oploopje rond een gekantelde aardappelwagen
op de Terwen Akker. Met moeite wist de koetsier
het rijtuig te keren. De volgende trein naar Brussel
zou pas over twee uur vertrekken en dat was te laat
om de laatste veerboot naar Engeland te kunnen halen.
Met zijn vrouw Esther en hun beide andere zoons,
die ’s ochtends vooruit waren gereisd, had hij afgesproken
dat ze elkaar om zes uur op het Brusselse Zuidstation
zouden treffen. Als hij en Adolph niet kwamen opdagen,
zouden ze zich zorgen maken. Denken dat hij was
opgepakt.
Tot hun geluk herkende de stationschef hem meteen
toen hij het perron op kwam hollen. Gedienstig hield
hij de trein voor hen op. Hij en Adolph klommen
hun coupé in en ploften hijgend tegenover elkaar
neer op hun banken.
Het perron leek verlaten. Achter de staanders van
de overkapping lag de stad te soezen in de lentezon.
Haast en bange onzekerheid over het verloop van
de reis joegen door zijn bloed. Hij wilde dat de
trein onmiddellijk vertrok. Tegelijkertijd klampte
hij zich uit alle macht vast aan de resterende seconden
van oponthoud, want hij wist dat hij Rotterdam nooit
zou terugzien.
De stoomfluit spoot de stilte open. Zuchtend en
stampend zette de trein zich in beweging, door kegels
van tegenlicht waarin de kringelende damp en het
stof uiteenstoven. Ze reden onder de overkapping
uit. Verdriet kropte in zijn keel. Hoog op de bovengrondse
spoorweg liet hij zijn blik over de huizenrijen
glijden, langs de eindeloze vertakkingen van straten
en stegen. Vertrouwde gebouwen schoven uit zijn
gezichtsveld: de koepel van het Beursgebouw, de
torenspitsen van de Laurenskerk en de Steigerse
Kerk. Zijn ogen konden zich nergens aan vastklampen.
In een ommezien had de trein de spoorbrug over de
Maas bereikt. Ratelend reden ze eroverheen. Aan
de overkant lag Feijenoord: een wirwar van kranen
langs de havens met, daartussen, het Poortgebouw
en het in aanbouw zijnde entrepot. Nog een laatste
keer keek hij achterom naar het terugwijkende silhouet
van de stad, toen reed de trein de overoever op.
Het spoor boog onverbiddelijk af in de richting
van IJsselmonde, het landschap werd vlak en weids.
Hij trok zijn hoofd terug en leunde achterover.
Adolph zei geen woord en keek hem niet aan. Des
te sterker voelden ze elkaars nabijheid, ze ademden
elkaars mismoedigheid in. Gedwee onderging Lodewijk
de onverhoedse zwenkingen van de trein die hen over
het slingerend spoor wegvoerde. Hij sloot zijn ogen
en dook onder in zijn gedachten.
De tijd stolde. Zo nu en dan stonden ze stil en
kwamen er stemmen tot leven. Passagiers stapten
in en uit. Daarna ging het weer verder door het
opgebaarde Hollandse landschap van velden en landerijen,
en van weilanden met grazend vee, omzoomd door sloten
en bomenrijen. Het ene dorp na het andere schoof
voorbij, schoongewassen in het kraakheldere zonlicht.
Forse stapelwolken joegen in een wedloop met de
trein door de hoge, diepblauwe lucht, van station
tot station – Barendrecht, Zwijndrecht, Dordrecht,
Zwaluwe, Langeweg, Breda. Hij bleef in zijn gedachten
opgesloten zitten, getroost door de nabijheid van
zijn zoon, totdat de trein bij de grens aankwam
en opnieuw stilhield.
Hij keek op en schrok. Twee grenswachten kwamen
het rijtuig binnen. Hij deed zijn best om onverschillig
en op z’n gemak te lijken. De douaniers hadden echter
nauwelijks aandacht voor hem en Adolph. Vluchtig
keken ze hun reispassen in en liepen verder. Opgelucht
knikte hij zijn zoon toe, die met de kin op de borst
gespannen naar de wegstervende voetstappen luisterde.
Hij moest iets zeggen. De jongen sterken. Hij moest
sterk zijn voor de jongen en de mismoedigheid van
zich afschudden.
‘Het gaat vlot. Als dat zo doorgaat zijn we mooi
op tijd in Brussel.’
Hij stond op en begon het compartiment op en neer
te lopen. Zijn handen wreven vuur uit de geladen
stilte.
‘We gaan eten’, besloot hij. Hij nam Adolph mee
naar de restauratiewagon. Op hun weg door de rijtuigen
kwamen ze de beide douaniers weer tegen en demonstreerde
hij zijn onaantastbaarheid door hun op autoritaire
toon te vragen opzij te gaan.
Hoeveel voorsprong in tijd was hun gegund? Als alles
goed ging konden ze over vierentwintig uur op de
Atlantische Oceaan zijn, onderweg naar New York,
veilig in internationale wateren. Amerika was hun
enige uitweg. Koste wat het kost moesten hem en
zijn gezin de schande van een proces, de hoon en
smaad, de woede en wraakzucht van een hele stad
bespaard blijven. Zijn zoons waren alle drie nog
jong en ongetrouwd. Die zouden gemakkelijk een nieuw
bestaan kunnen opbouwen met het kapitaal dat hij
in de loop der jaren voor zichzelf had veiliggesteld.
Aanvankelijk had hij de aandelen en de andere waardepapieren
nog willen aanspreken om er de ondergang van de
Afrikaansche en de Rotterdamsche mee af te wenden.
Goddank had hij na een nacht wikken en wegen daar
toch maar van afgezien. Hij had de waardepapieren
teruggestopt in de aktenkoffer en ’s ochtends in
zijn kantoor de jonge Bosland bij zich geroepen.
En die had hem zijn woord gegeven. Bosland zou hem
niet teleurstellen, daar was hij zeker van.
In de restauratiewagon gingen hij en Adolph aan
tafel. Ze bestelden een maaltijd van kippensoep,
wildpaté en witbrood en ze dronken daar een paar
glazen wijn bij. Gaandeweg de tocht door Vlaanderen
betrok de lucht. Lodewijk bedolf hun droefheid over
het gedwongen vertrek onder enthousiaste bespiegelingen
over de mogelijkheden van Amerika. Het lukte hem
zelfs om Adolph aan het lachen te maken. Met slechts
een paar minuten vertraging, om zes uur precies,
rolde de trein het Zuidstation van Brussel binnen.
Zijn vrouw Esther en zijn twee andere zoons, Maurits
en Pieter, stonden op het perron naar hen uit te
kijken. Esther liep huilend van de doorstane spanning
op hem af, maar Lodewijk schudde meewarig zijn hoofd.
Voor tranen was er geen tijd, zei hij. Ze gingen
een lange reis maken en alles kwam goed.
|
|