Uitgeverij De Geus

 

Nieuws

 

 

• 02-04-2009»

Buitenlandse vertalingen

 

• 19-03-2009»

Haasnoot bij programma LUX Magazine

 

• 17-02-2009»

Stem ook op Langzame wals

 

 

 

 

 

Voorpublicatie

Langzame Wals

 

Buiten adem stormde hij de trappen van het Rotterdamse station Beurs op, achter zijn oudste zoon Adolph aan. De trein naar Brussel stond dampend en met de deuren al dicht onder de overkapping. Adolph maalde wild met zijn armen en riep naar de stationschef: ‘Wacht!’
De jachtige vrees van die meidag, tweeënhalve maand geleden, grijpt Lodewijk weer bij de keel. Hij had te lang getreuzeld bij het verlaten van zijn huis aan het Willemsplein. Een huurrijtuig stond voor de stoep en Adolph was al ingestapt. Ondanks zijn zoons protesten was hij toch weer zijn woning binnengegaan om in zijn werkkamer nog vlug een éénregelige ontslagbrief te schrijven aan de commissarissen van de Rotterdamsche Handelsvereeniging. Een onzinnig verlangen om op de valreep zijn zaken juridisch correct af te handelen. Het had hen later, onderweg naar het station Beurs, in tijdnood gebracht. Ze kwamen vast te zitten in een oploopje rond een gekantelde aardappelwagen op de Terwen Akker. Met moeite wist de koetsier het rijtuig te keren. De volgende trein naar Brussel zou pas over twee uur vertrekken en dat was te laat om de laatste veerboot naar Engeland te kunnen halen. Met zijn vrouw Esther en hun beide andere zoons, die ’s ochtends vooruit waren gereisd, had hij afgesproken dat ze elkaar om zes uur op het Brusselse Zuidstation zouden treffen. Als hij en Adolph niet kwamen opdagen, zouden ze zich zorgen maken. Denken dat hij was opgepakt.
Tot hun geluk herkende de stationschef hem meteen toen hij het perron op kwam hollen. Gedienstig hield hij de trein voor hen op. Hij en Adolph klommen hun coupé in en ploften hijgend tegenover elkaar neer op hun banken.
Het perron leek verlaten. Achter de staanders van de overkapping lag de stad te soezen in de lentezon. Haast en bange onzekerheid over het verloop van de reis joegen door zijn bloed. Hij wilde dat de trein onmiddellijk vertrok. Tegelijkertijd klampte hij zich uit alle macht vast aan de resterende seconden van oponthoud, want hij wist dat hij Rotterdam nooit zou terugzien.
De stoomfluit spoot de stilte open. Zuchtend en stampend zette de trein zich in beweging, door kegels van tegenlicht waarin de kringelende damp en het stof uiteenstoven. Ze reden onder de overkapping uit. Verdriet kropte in zijn keel. Hoog op de bovengrondse spoorweg liet hij zijn blik over de huizenrijen glijden, langs de eindeloze vertakkingen van straten en stegen. Vertrouwde gebouwen schoven uit zijn gezichtsveld: de koepel van het Beursgebouw, de torenspitsen van de Laurenskerk en de Steigerse Kerk. Zijn ogen konden zich nergens aan vastklampen.
In een ommezien had de trein de spoorbrug over de Maas bereikt. Ratelend reden ze eroverheen. Aan de overkant lag Feijenoord: een wirwar van kranen langs de havens met, daartussen, het Poortgebouw en het in aanbouw zijnde entrepot. Nog een laatste keer keek hij achterom naar het terugwijkende silhouet van de stad, toen reed de trein de overoever op. Het spoor boog onverbiddelijk af in de richting van IJsselmonde, het landschap werd vlak en weids.
Hij trok zijn hoofd terug en leunde achterover. Adolph zei geen woord en keek hem niet aan. Des te sterker voelden ze elkaars nabijheid, ze ademden elkaars mismoedigheid in. Gedwee onderging Lodewijk de onverhoedse zwenkingen van de trein die hen over het slingerend spoor wegvoerde. Hij sloot zijn ogen en dook onder in zijn gedachten.
De tijd stolde. Zo nu en dan stonden ze stil en kwamen er stemmen tot leven. Passagiers stapten in en uit. Daarna ging het weer verder door het opgebaarde Hollandse landschap van velden en landerijen, en van weilanden met grazend vee, omzoomd door sloten en bomenrijen. Het ene dorp na het andere schoof voorbij, schoongewassen in het kraakheldere zonlicht. Forse stapelwolken joegen in een wedloop met de trein door de hoge, diepblauwe lucht, van station tot station – Barendrecht, Zwijndrecht, Dordrecht, Zwaluwe, Langeweg, Breda. Hij bleef in zijn gedachten opgesloten zitten, getroost door de nabijheid van zijn zoon, totdat de trein bij de grens aankwam en opnieuw stilhield.
Hij keek op en schrok. Twee grenswachten kwamen het rijtuig binnen. Hij deed zijn best om onverschillig en op z’n gemak te lijken. De douaniers hadden echter nauwelijks aandacht voor hem en Adolph. Vluchtig keken ze hun reispassen in en liepen verder. Opgelucht knikte hij zijn zoon toe, die met de kin op de borst gespannen naar de wegstervende voetstappen luisterde.
Hij moest iets zeggen. De jongen sterken. Hij moest sterk zijn voor de jongen en de mismoedigheid van zich afschudden.
‘Het gaat vlot. Als dat zo doorgaat zijn we mooi op tijd in Brussel.’
Hij stond op en begon het compartiment op en neer te lopen. Zijn handen wreven vuur uit de geladen stilte.
‘We gaan eten’, besloot hij. Hij nam Adolph mee naar de restauratiewagon. Op hun weg door de rijtuigen kwamen ze de beide douaniers weer tegen en demonstreerde hij zijn onaantastbaarheid door hun op autoritaire toon te vragen opzij te gaan.
Hoeveel voorsprong in tijd was hun gegund? Als alles goed ging konden ze over vierentwintig uur op de Atlantische Oceaan zijn, onderweg naar New York, veilig in internationale wateren. Amerika was hun enige uitweg. Koste wat het kost moesten hem en zijn gezin de schande van een proces, de hoon en smaad, de woede en wraakzucht van een hele stad bespaard blijven. Zijn zoons waren alle drie nog jong en ongetrouwd. Die zouden gemakkelijk een nieuw bestaan kunnen opbouwen met het kapitaal dat hij in de loop der jaren voor zichzelf had veiliggesteld. Aanvankelijk had hij de aandelen en de andere waardepapieren nog willen aanspreken om er de ondergang van de Afrikaansche en de Rotterdamsche mee af te wenden. Goddank had hij na een nacht wikken en wegen daar toch maar van afgezien. Hij had de waardepapieren teruggestopt in de aktenkoffer en ’s ochtends in zijn kantoor de jonge Bosland bij zich geroepen. En die had hem zijn woord gegeven. Bosland zou hem niet teleurstellen, daar was hij zeker van.
In de restauratiewagon gingen hij en Adolph aan tafel. Ze bestelden een maaltijd van kippensoep, wildpaté en witbrood en ze dronken daar een paar glazen wijn bij. Gaandeweg de tocht door Vlaanderen betrok de lucht. Lodewijk bedolf hun droefheid over het gedwongen vertrek onder enthousiaste bespiegelingen over de mogelijkheden van Amerika. Het lukte hem zelfs om Adolph aan het lachen te maken. Met slechts een paar minuten vertraging, om zes uur precies, rolde de trein het Zuidstation van Brussel binnen. Zijn vrouw Esther en zijn twee andere zoons, Maurits en Pieter, stonden op het perron naar hen uit te kijken. Esther liep huilend van de doorstane spanning op hem af, maar Lodewijk schudde meewarig zijn hoofd. Voor tranen was er geen tijd, zei hij. Ze gingen een lange reis maken en alles kwam goed.


 

 

 

 

 

Laurenskerk en Korenbeurs 1860